Eerst de oorzaak
Een restaurator begint niet bij de verf maar bij het gebouw. Zolang er water door een muur trekt, heeft elke behandeling van het oppervlak een beperkte houdbaarheid.
De eerste stap is daarom onderzoek: waar komt het vocht vandaan, hoe beweegt de constructie, welke zouten zitten in het metselwerk. Pas als de omstandigheden stabiel zijn, wordt aan de decoratie zelf gewerkt. Die volgorde omdraaien is de meest gemaakte fout.
Vasthouden wat loszit
Het eigenlijke conserveren begint met consolidatie: losgeraakte verflagen en holle pleisterlagen worden weer aan de ondergrond gehecht. Dat gebeurt met dunne mortels of kunstharsen die door minieme boorgaatjes worden ingebracht.
Randen van lacunes worden afgeschuind zodat zij niet verder afbrokkelen, en scheuren worden gedicht met een mortel die zwakker is dan het origineel. Die laatste eis is bewust: als er ooit weer spanning ontstaat, moet de reparatie bezwijken en niet het historische materiaal.
Omkeerbaar en herkenbaar
Twee beginselen sturen het vak. Een ingreep moet omkeerbaar zijn, zodat een latere generatie met betere middelen opnieuw kan beginnen. En hij moet herkenbaar zijn, zodat niemand aanvulling voor origineel houdt.
Dat tweede leidt tot zichtbare oplossingen. Bij de tratteggio-methode wordt een ontbrekend stuk ingevuld met fijne verticale streepjes: op afstand leest het beeld door, van dichtbij ziet men meteen dat hier is aangevuld. Andere ateliers kiezen voor een neutrale toon die de lacune rustig maakt zonder iets te verzinnen.
Schoonmaken is de riskantste stap
Het verwijderen van vuil, roet en oude vernis oogt onschuldig maar is de meest onomkeerbare handeling in het vak. Wie te ver gaat, neemt met de vuillaag ook de afwerkende glacis en de secco-details mee.
Daarom wordt altijd eerst op een klein proefvlak getest en wordt het resultaat vastgelegd voordat er verder wordt gegaan. De discussie rond de reiniging van de Sixtijnse Kapel in de jaren tachtig ging precies hierover: was het felle kleurbeeld dat tevoorschijn kwam Michelangelo, of was er een laag van hem verdwenen.
Documenteren als onderdeel van het werk
Elke behandeling wordt vastgelegd: foto's voor, tijdens en na, kaarten van lacunes en ingrepen, en de samenstelling van alle gebruikte materialen.
Dat is geen bureaucratie maar het geheugen van het object. Over vijftig jaar moet iemand kunnen zien welke hars in welk jaar is gebruikt en welk deel van het beeld door wie is aangevuld. Zonder die documentatie wordt elke volgende restaurator gedwongen te gissen.
Wie het werk doet
Restauratie van wanddecoratie is een apart vak met een eigen opleiding, waarin scheikunde, bouwfysica en kunstgeschiedenis samenkomen. Een restaurator werkt zelden alleen: bij grote projecten horen een bouwkundige, een klimaatadviseur en vaak een materiaalonderzoeker.
Voor eigenaren is dat belangrijk om te weten. Een schildersbedrijf dat gewend is aan modern werk kan met de beste bedoelingen onherstelbare schade aanrichten, bijvoorbeeld door een dampdichte verf op een muur te zetten die juist moet kunnen ademen.
