Beginnen bij de plint
Lambrisering is houtwerk tegen het onderste deel van de wand. Dat begon praktisch: de onderkant van een muur krijgt de klappen van stoelen, laarzen en emmers, en trekt bovendien het meeste vocht op.
Een betimmering vangt dat op en is bovendien te vervangen. Waar pleisterwerk bij vochtdoorslag afbladdert, kan een houten paneel worden losgenomen en vernieuwd. De hoogte volgde vaak de stoelleuning, wat de gebruikelijke naam stoelhoogte verklaart.
Van beschermlaag naar ontwerp
In de zeventiende en achttiende eeuw groeide het houtwerk omhoog en over de hele wand. In Frankrijk ontstond de boiserie: een volledige betimmering waarin deuren, spiegels, schouwpartij en overdeurstukken tot één geheel zijn ontworpen.
Daarmee verdwijnt het onderscheid tussen wand en meubel. De lijsten van een spiegel lopen door in de omlijsting van een deur, en de schouw is geen los object maar een onderdeel van hetzelfde ritme. Wie zo'n kamer betreedt, ziet geen wanden met dingen ertegen, maar één gesneden binnenkant.
Wit met goud, of juist hout
De verwachting dat oud paneelwerk het hout laat zien, klopt vaak niet. Franse boiseries werden doorgaans geschilderd, meestal in gebroken wit of zachtgrijs, met verguldsel op de gesneden delen.
Dat was geen bezuiniging maar een keuze voor licht. Een geschilderde kamer weerkaatst kaarslicht veel beter dan donker eikenhout. In Engeland en de Nederlanden bleef men het hout vaker in het zicht laten, soms met een geboende afwerking die na verloop van tijd donker werd.
Kamers die verhuizen
Omdat boiserie uit losse panelen bestaat, laat zij zich demonteren. In de negentiende en twintigste eeuw zijn hele kamers uit Franse stadspaleizen gehaald en elders opnieuw opgebouwd, vaak in musea.
Dat gaat zelden zonder ingreep. De nieuwe ruimte heeft andere maten, dus panelen worden ingekort, verplaatst of aangevuld met kopieën. Wie oplet, ziet aan het snijwerk waar de oude hand ophoudt en de restaurator begint.
Wat het met geluid doet
Een betimmerde kamer klinkt anders. Hout achter een luchtspouw neemt lage tonen op en dempt de galm die kale steen of pleisterwerk juist versterkt.
Dat was ook toen al bekend en meegewogen. Muziekkamers en eetkamers werden vaker betimmerd dan gangen, precies omdat men er sprak en speelde. De keuze voor hout ging dus niet alleen over aanzien, maar ook over hoe een ruimte aanvoelt.
Herkennen wat later is
Bij oud paneelwerk is vrijwel altijd bijgewerkt. Machinaal gefreesde profielen zijn te herkennen aan hun volmaakte gelijkmatigheid; met de hand geschaafd werk vertoont kleine golvingen die bij strijklicht oplichten.
Ook het spijkerwerk vertelt iets. Handgesmede spijkers hebben een onregelmatige, vierkante schacht, draadnagels een ronde. Wie een paneel voorzichtig aan de achterkant bekijkt, ziet bovendien zaagsporen: rechte, evenwijdige halen wijzen op een handzaag, licht gebogen sporen op een cirkelzaag en dus op de negentiende eeuw of later.
