Pigment, bindmiddel en drager
Elke kleur op een wand bestaat uit drie dingen: het pigment dat de kleur geeft, het bindmiddel dat het vasthoudt en de drager waarop het ligt. Verander één daarvan en het resultaat verandert mee.
Bij fresco is de kalk zelf het bindmiddel; bij secco is dat ei, lijm of olie. Hetzelfde blauwe poeder geeft daardoor op de ene muur een matte, ingetogen kleur en op de andere een diepe, glanzende. Wie oude wandschilderingen vergelijkt, vergelijkt dus ook recepten.
Aarde was goedkoop, blauw niet
Okers, omber en groene aarde komen letterlijk uit de grond en waren bijna overal te winnen. Zij zijn stabiel, ongevoelig voor kalk en betaalbaar, wat verklaart waarom zoveel oude wanddecoratie in aardetinten is uitgevoerd.
Blauw was het tegendeel. Het beste blauw, ultramarijn, werd gewonnen uit lapis lazuli uit de bergen van het huidige Afghanistan, en na een moeizaam zuiveringsproces bleef daar weinig van over. In middeleeuwse contracten wordt de hoeveelheid ultramarijn daarom apart vastgelegd, soms met een prijs boven die van goud.
Kleuren die zichzelf tegenwerken
Sommige pigmenten verdragen elkaar of hun omgeving niet. Loodwit verkleurt bij zwavelhoudende lucht naar bruin en zwart, wat op oude schilderingen als donkere vlekken zichtbaar is.
Azuriet, een goedkoper blauw, verandert onder invloed van vocht naar groen. Wat nu een groene mantel lijkt, was daardoor ooit blauw bedoeld. Wie historische kleurstellingen wil begrijpen, moet dus rekening houden met wat er sinds de oplevering is gebeurd.
De omslag naar de fabriek
Vanaf het eind van de achttiende eeuw kwamen synthetische pigmenten op: Pruisisch blauw, kobaltblauw, en in 1826 een kunstmatig ultramarijn dat de prijs van het duurste blauw in één klap tot een fractie terugbracht.
Daarmee viel de economische hiërarchie van kleuren weg. Een blauw veld was niet langer een uitgave die zichtbaar rijkdom vertoonde, en dat verandert hoe wij oude decoratie moeten lezen: kleurgebruik dat ons gewoon lijkt, was toen een mededeling.
Wat pigment over datering zegt
Omdat van veel synthetische pigmenten bekend is wanneer zij op de markt kwamen, geven zij een ondergrens voor de datering. Wordt in een verflaag Pruisisch blauw aangetroffen, dan is die laag niet ouder dan 1706.
Onderzoekers gebruiken dat bij het ontwarren van overschilderingen. Een wand met vijf lagen laat zich zo op volgorde zetten, en soms blijkt de vermeende zeventiende-eeuwse decoratie een negentiende-eeuwse herschildering te zijn.
Kleur als opdrachtvoorwaarde
Omdat pigment een aanzienlijk deel van de kosten uitmaakte, werd het vaak apart geregeld. Contracten uit de vijftiende eeuw schrijven voor hoeveel ultramarijn de schilder moest gebruiken en waar in de voorstelling het terecht moest komen.
Soms leverde de opdrachtgever het pigment zelf, om zeker te zijn dat het niet werd verdund of vervangen. Wie zo'n contract leest, ziet dat de kleur van een mantel geen artistieke keuze was maar een afgesproken uitgave, en dat de kwaliteit van het blauw een graadmeter was voor de status van het werk.
