Negentiende-eeuwse aquarel van een Pompejaanse wand: een zwarte ondergrond met dunne geschilderde zuiltjes, bovenin een paneel met een theatermasker en aan weerszijden roodbruine medaillons.

Schilderen op de muur

De vier stijlen van Pompeii

Gepubliceerd 21 januari 2026

Foto: Wilhelm Johann Karl Zahn (d. 1871) · Public domain · Wikimedia Commons

Een tijdlijn onder as

Doordat de uitbarsting van de Vesuvius in het jaar 79 hele stadswijken onder as bedolf, is in Pompeii en Herculaneum een doorsnede bewaard van ruim twee eeuwen wanddecoratie. De Duitse archeoloog August Mau bracht die in 1882 onder in vier stijlen. Die indeling is niet zonder kritiek gebleven, maar zij werkt nog altijd als hulpmiddel.

Belangrijk is dat de stijlen elkaar niet netjes aflossen. In één huis kunnen kamers uit verschillende perioden naast elkaar liggen, precies zoals een woonhuis nu ook niet in één keer wordt behangen.

Van nagebootst marmer naar diepte

De eerste stijl bootst met gekleurd stucwerk dure muurbekleding na: blokken marmer in reliëf, zonder figuren. Het is imitatie van materiaal, geen voorstelling.

In de tweede stijl wordt de wand opengebroken. Geschilderde zuilen, deuropeningen en doorkijkjes suggereren ruimte achter het pleister; men kijkt langs een balustrade een tuin of een stad in. Dat is echt illusionisme: de wand doet alsof hij er niet is.

Sierlijk en daarna fantastisch

De derde stijl draait dat weer om. De wand wordt nadrukkelijk vlak, met grote effen velden in zwart, rood of geel, omlijst door zeer dunne ornamentele lijstjes en met een klein schilderij in het midden. Het effect is verfijnd en tamelijk streng.

De vierde stijl combineert beide: opnieuw architectuur, maar nu bewust onmogelijk. Slanke zuiltjes dragen niets, gebouwen zweven, en tussen die decorstukken hangen mythologische taferelen als losse panelen. Het is theaterdecor geworden.

Wat de kleuren kostten

De kleurkeuze verraadt het budget. Geel- en roodoker, zwart uit roet en groene aarde waren betaalbaar en overal te krijgen. Vermiljoen uit cinnaber was dat niet: Plinius de Oudere noemt het uitdrukkelijk als een prijzige kleur, waarbij de opdrachtgever soms zelf het pigment leverde.

Daarom vindt men de kostbare rode velden in de ontvangstruimten en de goedkopere okers in de dienstvertrekken. De wanddecoratie vertelt zo ook iets over de rangorde van de kamers.

Wie het schilderde

Over de makers is weinig met zekerheid bekend. Namen zijn zeldzaam; wat men wel ziet, is arbeidsverdeling. De grote velden en het lijstwerk werden door ploegen aangebracht, terwijl de kleine mythologische panelen in het midden duidelijk van een geoefender hand zijn.

Die panelen lijken bovendien vaak op elkaar tussen verschillende huizen. Waarschijnlijk circuleerden er modellen, hetzij als tekeningen, hetzij uit het geheugen van rondtrekkende schilders. Een opdrachtgever koos dan een tafereel zoals men nu een ontwerp uit een catalogus kiest, waarna het ter plaatse werd uitgevoerd in het formaat dat de wand toeliet.

Veelgestelde vragen

Zijn de vier stijlen strikt chronologisch?
Globaal wel, maar de overgangen lopen door elkaar en oudere decoraties bleven vaak gewoon zitten. De indeling beschrijft tendensen, geen scherpe grenzen.
Waarom zijn de kleuren nu vaak dof?
Blootstelling aan licht, vocht en lucht na de opgraving heeft veel wanden aangetast. Sommige rode velden zijn bovendien verkleurd doordat de hitte van de uitbarsting het pigment chemisch veranderde.
Waren dit fresco's?
Grotendeels wel: men schilderde in natte kalk en polijstte het oppervlak daarna, wat de kenmerkende glans geeft. Details werden a secco toegevoegd.