Zoveel mogelijk op zo min mogelijk muur
Tot ver in de negentiende eeuw werd een verzameling niet uitgestald maar opgestapeld. Lijsten hingen tegen elkaar aan, van plint tot kroonlijst, in rijen boven elkaar.
De reden was eenvoudig: muur was schaars en de verzameling groot. Wie honderden stukken bezat en drie zalen had, kon niet anders. Dat de kijker daarbij niet elk werk goed kon zien, was ondergeschikt aan het tonen van de omvang zelf.
Hoogte als rangorde
De ordening was allesbehalve willekeurig. Op ooghoogte, in de zogeheten oogrij, hingen de werken die de eigenaar het hoogst aansloeg. Daarboven kwam wat minder belangrijk was, of wat door formaat om afstand vroeg.
Bij de Parijse Salon werd dat systeem berucht. Een plaats hoog tegen het plafond, door kunstenaars spottend de zolder genoemd, betekende dat men wel was toegelaten maar niet werd gezien. De jury bepaalde daarmee niet alleen wie meedeed, maar ook wie kans maakte.
Passen als een puzzel
Een dichte hang vraagt om rekenwerk. De hanger zocht een indeling waarin formaten elkaar in evenwicht hielden: een groot werk in het midden, kleinere eromheen, met symmetrie ten opzichte van de middenas.
Daarbij werden lijsten soms aangepast aan de compositie van de wand in plaats van aan het schilderij. In oude verzamelingen komt men doeken tegen die zijn ingekort of aangevuld om in een reeks te passen, wat later restauratoren voor lastige vragen stelt.
Licht als beperking
Zonder elektrisch licht kwam alle verlichting van vensters en kaarsen. Dat maakte de plaats aan de wand ook een lichtkwestie: werken met veel donkere partijen kregen de plek dichtst bij het raam.
Glas voor een schilderij was in die situatie een probleem, want het spiegelde de vensters terug. Vandaar dat oude schilderijen zelden onder glas hingen en men liever vernis gebruikte, met alle vergeling van dien.
Waarom het verdween
De ommekeer kwam met een nieuwe opvatting over kijken. Musea gingen zich richten op het afzonderlijke werk, wat ruimte eromheen vraagt, en elektrisch licht maakte plaatsing minder afhankelijk van vensters.
Toch is het salonhangen nooit helemaal weg geweest. In woonhuizen keert het regelmatig terug, en tentoonstellingsmakers gebruiken het bewust om te laten zien hoe een verzameling ooit werd getoond. Dan is de dichte wand geen noodzaak meer maar een citaat.
Wat de dichte wand liet zien
Een volgehangen wand toonde niet alleen kunst maar ook een wereldbeeld. Landschappen naast portretten naast stillevens brachten de orde van de schepping in één oogopslag bijeen.
De kunstkabinetten van David Teniers de Jonge, die de verzameling van aartshertog Leopold Willem vastlegden, laten dat goed zien. Zij zijn tegelijk schilderij en catalogus: de werken zijn zo nauwkeurig weergegeven dat kunsthistorici er stukken mee hebben geïdentificeerd die later zijn verdwenen. De wand werd zo zelf een document.
