Een voorstelling over vele tegels
Een tableau is geen versierde tegel maar één voorstelling verdeeld over een raster van tegels. De schilder werkte op de losse, ongebakken tegels en moest de lijnen precies op de randen laten aansluiten.
Daarvoor gebruikte men een spons: een doorgeprikte tekening op papier waarmee de contouren met houtskoolpoeder op elke tegel werden overgebracht. Zo bleef het raster kloppen, ook als de tegels tijdens het bakken licht kromtrokken.
Tinglazuur vergeeft niets
De witte ondergrond ontstaat door tinglazuur: een glazuur waaraan tinoxide is toegevoegd, dat na het bakken dekkend wit wordt. Daarop schilderde men met metaaloxiden, waarvan kobalt het bekende blauw geeft.
De verf trekt onmiddellijk in het poreuze, ongebakken glazuur, zoals inkt in vloeipapier. Wegvegen kan niet; een misgezette lijn blijft. Dat verklaart de trefzekere, losse toets van goed tegelwerk, want aarzeling is achteraf zichtbaar.
Waarom juist blauw
Kobaltblauw kon de hoge baktemperatuur aan die het tinglazuur vergde, en veel andere kleuren niet. Groen, geel en mangaanpaars bestonden wel, maar het palet bleef beperkt.
Daar kwam de mode bij. Chinees porselein dat vanaf de zeventiende eeuw in grote hoeveelheden werd ingevoerd, was blauw op wit, en Europese pottenbakkers volgden die smaak. Delfts blauw is daarmee zowel een technische uitkomst als een navolging.
Waar tableaus terechtkwamen
Tegels gingen naar plekken waar het nat of vies was: rond schouwen, in keukens, gangen, brouwerijen en zuivelruimten. Het materiaal is afwasbaar en vat geen vlam, twee eigenschappen die in een huis met open vuur zwaar wogen.
Grote tableaus verschenen daarnaast als pronkstuk in vestibules en trappenhuizen, en later in openbare gebouwen: stationswanden, zwembaden en scholen kregen tegelvoorstellingen die tegen schrobben bestand waren.
Herkennen en verplaatsen
Aan de achterkant van oude tegels zit vaak een spijkergat of een ruwe scherf; de dikte varieert en de hoeken zijn zelden haaks. Dat maakt het leggen van een oud tableau lastiger dan van moderne tegels.
Verplaatsen is riskant. De tegels zitten in kalkmortel die harder is dan het baksel, waardoor bij het uithakken eerder de tegel breekt dan de mortel loslaat. Museaal wordt daarom vaak van achteren gewerkt en de hele muurschil meegenomen.
Van luxe naar dagelijks gebruik
In de zeventiende eeuw was betegeling nog kostbaar en voorbehouden aan gegoede huizen. Naarmate de productie groeide, daalde de prijs en verschenen tegels in gewone woningen, eerst als plint achter de bedstee en langs de schouw.
Daarmee veranderde ook het onderwerp. Naast bijbelse taferelen en zeegezichten kwamen kinderspelen, ambachten en dieren, vaak in losse tegels met een enkel figuurtje binnen een hoekmotief. Zo werd het tegelwerk minder een pronkstuk en meer een verzameling kleine tafereeltjes om naar te kijken.
