Meubilair dat meereist
Een middeleeuws hof verplaatste zich voortdurend tussen kastelen en verblijven. Zware meubels bleven staan, maar wandtapijten gingen mee: zij werden opgerold, op karren geladen en in de volgende zaal weer opgehangen.
Daarmee vervulden zij drie taken tegelijk. Zij hielden de kou van dikke stenen muren tegen, zij dempten de galm in hoge ruimten, en zij lieten iedereen zien wie hier zetelde. Een reeks tapijten was letterlijk verplaatsbaar vermogen, vaak meer waard dan het gebouw waarin zij hingen.
Hoe een tapijt ontstaat
Een geweven wandtapijt is geen borduurwerk. De voorstelling zit in het weefsel zelf: gekleurde inslagdraden worden met de hand om de gespannen kettingdraden gelegd, waarbij elke kleurvlek zijn eigen spoeltje heeft.
De wever werkt daarbij naar een karton, een tekening op ware grootte die achter of onder het getouw ligt. Omdat hij meestal aan de achterkant weeft, ontstaat het beeld in spiegelbeeld. Waar twee kleurvlakken naast elkaar eindigen zonder te haken, blijft een fijne spleet zichtbaar: de relais, kenmerkend voor de techniek.
Bayeux is geen tapijt
Het beroemdste voorbeeld is strikt genomen een uitzondering. Het Tapijt van Bayeux is geen weefwerk maar borduurwerk: gekleurde wollen draden op een linnen baan van ongeveer zeventig meter lang en een halve meter hoog.
Dat verklaart de vorm. Een geborduurde strook kan doorlopen zolang het linnen strekt, en juist die lengte maakt het geschikt voor een doorlopend verhaal met onderschriften in het Latijn. Het is meer een stripverhaal aan de wand dan een schilderij van garen.
Reeksen in plaats van losse stukken
Tapijten werden zelden per stuk besteld. Men kocht een reeks die samen een zaal vulde en samen een verhaal vertelde: een veldslag in etappes, de maanden van het jaar, de deugden.
Daardoor moest de maat vooraf vaststaan. Een reeks werd ontworpen voor een bepaalde ruimte, met tapijten die precies tussen deuren en schouw pasten. Verhuisde de eigenaar, dan werden stukken ingekort of omgezoomd, wat bij bewaard gebleven reeksen nog altijd aan de randen te zien is.
Van hofkunst naar manufactuur
De grote weefcentra lagen eeuwenlang in de Zuidelijke Nederlanden: Doornik, Brussel, Oudenaarde. Van daaruit gingen de reeksen naar heel Europa, vaak naar ontwerpen van bekende schilders.
In 1662 kocht de Franse kroon een Parijse werkplaats aan die als de Manufacture des Gobelins verder ging. De naam van die familie werd zo soortnaam: sindsdien heet elk fijn geweven wandtapijt in de volksmond een gobelin, ook als het er niet is geweven.
